Geschiedenis
HISTORISCH OVERZICHT VAN DE GEMEENTE GEETBETS
Geetbets is de meest oostelijk gelegen gemeente van de provincie Vlaams-Brabant. Op de kaart lijkt het wel alsof de gemeente een wig drijft in het lijf van de provincie Limburg. Historisch gezien is dat makkelijk te verklaren. Geetbets is immers een fusie van enerzijds Geetbets zelf, op de linkeroever van de Gete, een dorp dat steeds behoord heeft tot het hertogdom Brabant. Rummen en Grazen anderzijds, op de rechteroever van diezelfde Gete, behoorden tot de Franse revolutie toe aan het graafschap Loon, het latere prinsbisdom Luik. De Gete vormde niet alleen de bestuurlijke grens tussen deze latere fusiegemeenten, maar was ook op andere gebieden een duidelijke scheidingslijn (o.a. dialect, aardrijkskundige streken, etc). Uit het historische overzicht zal blijken waarom deze gemeente rijk aan geschiedenis maar arm aan economische middelen is. Deze streek lag immers op de eerste verdedigingslinie van het hertogdom Brabant tegen de agressors uit het oosten. Steden als Halen, Zoutleeuw en Tienen vingen de eerste klappen op en het duurde vaak jaren voor ze zich daarvan herstelden en soms kwam dat herstel zelfs helemaal niet. Het platteland tussen deze steden was het wingebied voor troepen van diverse pluimage en jaar na jaar werden de oogsten vernield of opgeëist. Wat restte was een arme streek waar de inwoners met hard werken probeerden te overleven. We bespreken de drie deelgemeenten volgens ouderdom.
Rummen (1597 ha)
De deelgemeente Rummen is de oudste gemeente, telt de grootste oppervlakte en
is rijk aan geschiedenis. De oudste archeologische vondst te Rummen dateert uit
het midden of laat neolithicum, hetgeen betekent dat dit gepolijst vuistbijl
tussen de 4.000 en 6.000 jaar oud is.
Toen Ermengarde, de gravin van Loon, in 1078 het grondgebied van Rummen aan de
kerk van Saint-Barthelémy te Luik schonk, was dat meteen de eerste keer dat de
naam Rummen in een geschreven document opdook. De graven van Loon zullen
overigens in de Rummense geschiedenis nog meer opduiken. De naam Rummen betekent
‘ruim, uitgestrekte gronden’. Men wil de naam Rummen wel eens aan Rome en de
Romeinen linken, maar van een Romeinse aanwezigheid zijn tot op heden geen
tastbare bewijzen gevonden.
Zo was het bijvoorbeeld graaf Arnold VII van Loon die in 1233 het
Oriëntenklooster te Rummen stichtte. Dit cisterciënzerinnenklooster aan de oever
van de Melsterbeek, werd al vlug met meerdere schenkingen begiftigd waardoor het
al snel een vrij belangrijk klooster werd, niet zozeer wat het aantal zusters
(maximaal 20) betrof, als wel wat de goederen betrof. In Rummen bijvoorbeeld
behoorden grote boerderijen als Terlenen (1240, bleef tot de Franse revolutie in
het bezit van Oriënten, later een brouwerij en stokerij), Terborg (1240) en
Tervreundt/Segeraet (1302, werd al vroeg een allodiaal goed) tot het patrimonium
van het klooster. Toen het klooster in de 16de eeuw tijdens de
godsdienstoorlogen geplunderd werd, weken de zusters tijdelijk naar Sint-Truiden
uit. Arnold van Rummen, de laatste graaf van Loon (zie hierna) werd in het
klooster begraven. De Franse overheersers sloegen de kerkelijke goederen aan en
Oriënten werd in twee loten verkocht. In 1816 werden de meeste kloostergebouwen
afgebroken behalve het huidige woonhuis (destijds een van de dienstgebouwen). In
het begin van de 20ste eeuw huisvestten de gebouwen een jeneverstokerij.
Arnold van Rummen was de laatste onafhankelijke graaf van Loon. Toen in 1336
graaf Lodewijk IV van Loon kinderloos stierf, begon een successieoorlog die 30
jaar zou duren waarbij grote buur Luik zijn uiterste best deed om het graafschap
Loon in te palmen. Arnold van Rummen was een van de troonpretendenten. Arnold
van Rummen was o.a. drossaard van Brabant en hoopte daarom op steun van de
hertog van Brabant en de graaf van Vlaanderen (via zijn echtgenote, een dochter
van Lodewijk van Nevers). Arnold kreeg in zijn strijd het gelijk aan zijn kant
van het keizerlijk hof, maar de prinsbisschop van Luik legde zich daarbij niet
neer. Het fortuin van Arnolds vrouw maakte het hem mogelijk te Rummen een
prachtig slot te bouwen. De bouw ervan nam 9 jaar in beslag. Op 9/8/1365 sloegen
de Luikse milities hun tenten op voor de muren van Arnolds burcht. De
verdedigers maakten gebruik van kleine donderbussen (kanonnen). De belegering
zou uiteindelijk 9 weken duren en uitmonden in de inname van de burcht te
Rummen. De burcht werd volledig vernield en mocht niet heropgebouwd worden;
Arnold van Rummen zag – mits een forse vergoeding – af van het graafschap Loon
dat opgeslorpt werd door het prinsbisdom Luik. Het Warandebos is de laatste
getuige van deze verdwenen grootheid.
Behalve het daarstraks genoemde Oriëntenklooster, had ook de abdij van Averbode
een aardig stukje in de Rummense pap te brokken. Deze abdij had het
begevingsrecht (recht om de pastoor aan te duiden) en liet o.a. de pastorij
bouwen (1630). De prachtige vijver (1643) herinnert aan het strenge visdieet van
de Norbertijnen. Dit geklasseerd gebouw (1960) werd in de 18de eeuw gedeeltelijk
herbouwd. Tijdens de eerste wereldoorlog werd de pastorij door de Duitsers
geplunderd (o.a. koperen klinken) en ze bood zelfs een tijdje onderdak aan de
rijkswacht van Rummen.
Was het Rummense grondgebied destijds voornamelijk in handen van de kloosters,
de kerk en een paar heren, dan blijkt uit een studie dat in 1860 nog steeds meer
dan 60% van het grondgebied in handen was van eigenaars buiten de gemeente.
Twintig jaar na de pastorij werd het schutterslokaal (1650) van de
Sint-Sebastiaansgilde gebouwd. Het is thans een van de oudste gebouwen van
Rummen (hoek dorpsplein en Kapelstraat). Tegenover het schutterslokaal bevond
zich eertijds de Munt. Rummen had inderdaad een muntatelier waar tijdens de
periode 1350-1474 eigen munten geslagen werden.
Uit het midden van de 14de eeuw dateert ook de jaarmarkt. Het was een vrije
markt waar men waren kon kopen en verkopen zonder cijns te betalen. Buiten de
wet gestelde misdadigers mochten er vrij rond lopen zonder aangehouden te
worden. Deze nog steeds bestaande jaarmarkt (laatste week van augustus) houdt
mogelijk verband met de bijnamen van de Rummenaren (boeren) en de Betsenaren
(heren).
In de 15de en 16de eeuw waren de families de Merode en Hamal heren van Rummen.
Op de weg naar Geetbets liggen de geklasseerde (1994) restanten van de
kasteelhoeve en één toren van het verdwenen kasteel, gebouwd door de familie
Horion. Het kasteel ging nadien over in de handen van de familie Hoen, om
uiteindelijk naar de oorspronkelijke bezitters terug te keren. Dit kasteel werd
omschreven als een van de mooiste en indrukwekkendste van het prinsbisdom Luik.
Het had zwaar te lijden van de Franse bezetter en kwam nadien o.a. in handen van
de Tiense familie Vandenbosch. Het kasteel werd in de 16de eeuw gebouwd, het
boerderijgedeelte dateert uit 1626-1629. Omstreeks de periode van de bouw van
het kasteel, werd Rummen getroffen door een pestepidemie (1576) die op korte
tijd de Rummense bevolking flink deed slinken.
De 17de eeuw kenmerkte zich door een opeenvolging van vreemde
troepenbezettingen: 1622 en 1626 Duitse huurlingen in dienst van Spanje, 1632
Spanjaarden, 1636 Duitse ruiterij, 1654 de hertog van Lotharingen, 1675 de
Hollanders die meer dan de helft van de 82 Rummense huizen vernielden.
In 1741 werd Rummen door een grote brand getroffen. Het vuur was ontstaan in de
schouw van ‘De Croon’ een brouwerij tegenover de oude kerk (Kapelstraat), die
samen met een aantal huizen (9) in de vlammen opging. In 1760 bouwde men in de
Ketelstraat een nieuwe classicistische kerk, die in 1924 vergroot werd met een
dwarsbeuk, koor, zijkoren en sacristie. De oude waardevolle doopvont (12de –
13de eeuw) van de oorspronkelijke kerk kwam via het Oriëntenklooster en een
aantal tussenstations uiteindelijk in de Sint-Germanuskerk te Tienen terecht.
Op het einde van de 18de eeuw (1798) zullen Rummen en Geetbets mede het
strijdtoneel vormen van de Boerenkrijg.
Rummen lag langs de tramlijn Sint-Truiden – Herk-de-Stad die in 1913 geopend
werd, te lijden had van de eerste wereldoorlog, nadien hersteld werd en
tenslotte in 1948 opgedoekt. Het station bevond zich in de Persoonstraat.
Rummen maakte via een groep van 40 Uhlanen op 6 augustus 1914, om 11 uur ’s
morgens kennis met de eerste wereldoorlog. De Duitsers stelden in de daarop
volgende dagen op de hoogte van Bergeneinde hun kanonnen op. Tijdens de eerste
inval werd de klepel van de kerkklok afgerukt en de hamer van het uurwerk
verwrongen. 70 Rummenaren trokken naar de oorlog. Drie ervan sneuvelden aan het
front en een overleed in Frankrijk aan een longaandoening. Elf werklieden werden
naar Duitsland weggevoerd, waarvan één aldaar overleed.
Mede dankzij dokter Ballet ontsnapte Rummen tijdens de tweede wereldoorlog aan
het ergste. Dokter Ballet was gouwleider was gouwleider van het VNV Limburg (tot
1942 toen hij ontslag nam). Op 28/8/1942 stortte een tweemotorige bommenwerper
te Rummen neer. De zeskoppige Poolse bemanning overleefde de crash. Op 30/6/1944
werd Rummen opgeschrikt door de moord op Camille Van Craeyevelt, waarbij de
daders meenden te handelen uit verzetsmotieven. Op 6 september 1944 werd Rummen
door de Amerikanen bevrijd. Economisch werd Rummen na de tweede wereldoorlog
bekend als een ‘glazen dorp’ waar de serres als paddestoelen uit de grond rezen
en voor enige welstand zorgden. De hoge brandstofprijzen zouden later deze
welvaart kelderen. Op 1/1/1971 fuseerde Rummen met Grazen en op 1/1/1977 werden
beide gemeenten bij Geetbets gevoegd.
Tekst door: Guy Leus geschiedkundige kring Limes Gatia.
Geetbets (1593 ha)
Op de Glabbeekstraat werd omstreeks 1965 een stuk van stenen ‘dissel’
gevonden, een stenen bijl met één bolle en één vlakke zijde. Deze steen is met
zijn 6.250 jaar de oudste getuige van menselijke aanwezigheid te Geetbets. In
1879 werd bij de aanleg van de brug over de Graasbeek een Merovingisch zwaard
gevonden (circa 550-600 na Christus).
Op papier dook de naam Bece (betekent ‘beek’) voor het eerst in 1156 op, wanneer
de bisschop van Luik de bezittingen van de abdij van Vlierbeek bevestigde. Met
deze abdij is meteen een van de grootste grondbezitters te Geetbets vermeld. De
goederen van Vlierbeek werden bestuurd vanuit het pachthof dat reeds in 1454
vermeld werd. Van dit pachthof resten thans nog de inrijpoort (1741) en de
bijgebouwen (1814). In 1236 kreeg Geetbets, dat tot dan deel uitmaakte van de
parochie Zoutleeuw, een eigen priester.
Geetbets was waarschijnlijk ontstaan rond de motte. In de 13de eeuw heetten de
bezitters de Curia of van den Hove. Deze motte lag niet ver van de heirbaan die
de Brabantse steden Zoutleeuw en Halen verbond en pal naast de Gete die deel
uitmaakte van de verdedigingslinie van het hertogdom Brabant. Van hieruit hield
men ook toezicht op de scheepvaart op de Gete en tot de inkomsten behoorden ook
een deel van het recht op doorvaart van de schepen. Dat recht werd geïnd aan de
watermolen. De motte verdween waarschijnlijk in de tweede helft van de 16de eeuw
en werd niet meer heropgebouwd, toen andere heerlijkheden belangrijker geworden
waren en houten constructies door stenen gebouwen overtroefd werden. De daarnet
genoemde watermolen was in 1330 reeds jaren in onbruik toen de abdij van
Vlierbeek hem liet herstellen. Van het huidige, geklasseerde gebouw, is het
middelste deel het oudste (1672). In het begin van de 20ste eeuw deed een deel
van de molen dienst als melkerij.
In het noorden van de gemeente bestonden in het begin van de 13de eeuw twee
belangrijke leenhoven. Tegen de Gete lag de heerlijkheid Ouderaen, in het bezit
van de gelijknamige familie. In de loop van de daarop volgende eeuwen werd deze
heerlijkheid in steeds kleinere delen opgedeeld en werden de bezittingen
opgeslorpt door meer gefortuneerde eigenaars. In de 18de eeuw was deze
heerlijkheid gedoemd te verdwijnen. Aan de overkant van de huidige weg naar
Halen lag, tegen de grens met deze buurgemeente, de heerlijkheid Elsmeren. In
1299 was voor het eerst sprake van het castro de Bece. In 1330 dook de familie
van der Elsmeren op, die deze heerlijkheid tot in de 15de eeuw in haar bezit
hadden. In 1599 kwam het kasteel in het bezit van François Baillet, de heer van
Geetbets, waardoor het kasteel meteen kasteel van Geetbets werd. Honderd jaar
later kwam het in het bezit van de familie de Rijckman. Deze familie zou het
kasteel 305 jaar in haar bezit houden. Het huidige kasteel dateert van 1667, de
schuur van 1663 en de pachterswoning van 1806. In de periode 1923-1927 en
1985-1995 werd het grondig gerestaureerd. De huidige eigenaars hebben een
bouwaanvraag ingediend voor gastenkamers en vergaderruimten.
Voor Geetbets betekende de 15de eeuw een woelige periode met bloedige botsingen
tussen hertogelijke troepen en Luikse milities waarbij de Betsenaren zelfs de
Loonse/Luikse buurgemeente Rummen binnenvielen. De 16de eeuw was al niet veel
beter, zeker niet wanneer de Geuzen de pastoor ontvoerden.
Was de 17de eeuw voor de Hollanders de ‘gouden eeuw’ dan was dat voor Geetbets
niet altijd het geval. In 1606 werd de kerktoren het slachtoffer van een zware
storm en belandde in het schip van de kerk. Heel de eeuw drongen
herstellingswerken aan het gebouw zich op. Vier jaar later mocht de gemeente
zich verheugen in de aanwezigheid van een eerste onderwijzer. In 1620 nam
Godfried Wendelen zijn taak als pastoor van Geetbets op. Hij zou er 13 jaar
blijven. Samen met Thomas Preston, die in 1622 heer van Bets werd (Iers leider
van de katholieken tegen de protestanten), was hij een van de beroemdste mannen
die deze gemeente gekend heeft. Wendelen heeft vooral naam gemaakt als
sterrenkundige, maar hij was veel meer dan dat. In Geetbets was hij in de eerste
plaats priester. Hij werd pas op latere leeftijd priester gewijd en Geetbets was
zijn eerste herderlijke taak. Wendelen die een grote juridische basis had, kwam
al snel in conflict met zijn parochianen en met de geestelijke overheden zoals
de abt van Vlierbeek, toen hij de tienden (belastingen) wilde innen waarop hij
recht had. Het resulteerde in talrijke conflicten. Toch verhinderde het hem niet
in dezelfde periode wetenschappelijke waarnemingen te doen en zijn parochianen
met raad en daad bij te staan bij een van de pestepidemieën. In 1640 dook voor
het eerst de vermelding van een chirurgijn te Geetbets op. Wie pest zegt, denkt
aan de Sint-Rochuskapel, daterend uit 1542 (jaartal boven de deur), waar deze
heilige aanbeden werd.
In de tweede helft van de 17de eeuw kon Geetbets alleen via het betalen van
losgelden ontkomen aan vreemde troepenbezettingen (Lorreinen, prins de Condé,
Hollanders, Fransen etc). Dat lukte evenwel niet altijd en Geetbets moest dan
ook zwaar in de buidel tasten om de winterkwartieren te betalen. In 1694 kwam
koning Willem III van Oranje, koning van Engeland, zijn verdedigingslinie langs
de Gete te Geetbets inspecteren.
Een van de eerste taken van pastoor Wendelen bij zijn aankomst te Geetbets, was
de vervallen pastorij op te knappen. Dat pastoreel huis was in 1609 opgericht,
al moeten we voor de oudste vermelding terug naar 1536. In 1752-1753 was de nood
zo hoog dat men de huidige pastorij bouwde. De tiendenheffers, te weten de
abdijen van Rotem en Vlierbeek, Sint-Pieter en Sint-Geertrui te Leuven, droegen
bij in de kosten. Aan de overkant van de pastorij werd in 1765 de oude kerk
afgebroken. De bouw van de nieuwe kerk was twee jaar later voltooid. In de
periode 1772-1774 was het interieur aan de beurt met een nieuw altaar,
biechtstoelen, lambrisering, preekstoel. In de periode 1855-1858 werd de oude
toren afgebroken, de kerk vergroot en een nieuwe toren gebouwd. Het huidige
Clerinxorgel werd in 1863 geplaatst, is geklasseerd en werd onlangs grondig
gerestaureerd.
Net als buurgemeente Rummen krijgt Geetbets op het einde van de 18de eeuw de
brigands op bezoek. Ze verscholen zich in de bossen en hergroepeerden zich hier
alvorens naar Hasselt op te marcheren waar ze definitief door de Fransen
verslagen werden (Boerenkrijg).
Een eeuw later (1895) vestigden de Zusters van de Christelijke Scholen zich te
Geetbets waar ze meer dan honderd jaren bij het onderwijs van de Betserse jeugd
betrokken waren en in een heuse schoolstrijd belandden. In 1999 zullen de
laatste zusters Geetbets verlaten.
Op 6 augustus 1914 maakte Geetbets, net als buurgemeente Rummen, via een groep
Duitse Uhlanen, kennis met de eerste wereldoorlog. De Uhlanen overvielen het
station, verbraken de telefoonverbindingen, staken het gebouw (en zeven andere
huizen) in brand en vertrokken. Zes dagen later werden de gewonden van de slag
bij Halen via het station van Geetbets vervoerd. De eerste wereldoorlog zou
nogal wat slachtoffers eisen, zowel bij soldaten als burgerbevolking. Bovendien
werden 70 werkkrachten naar Duitsland gevoerd. Uiteindelijk zullen twee burgers
en elf soldaten om het leven komen. Het station waarvan sprake zal in 1976
gesloopt worden. Het lag op de lijn 26 Tienen – Diest. Het station werd geopend
op 25/5/1878. De reizigersdienst werd in 1957 afgeschaft, het goederenvervoer in
1966 voor dit stuk van de lijn.
De tweede wereldoorlog zal aan vier soldaten en 13 burgerslachtoffers het leven
kosten. Geetbets werd tussen 1940 en 1945 zwaar geteisterd. In 1942 en 1943
crashten twee Britse bommenwerpers op het gehucht Hulsbeek. De Poolse bemanning
(1942) overleefde de klap niet, van de acht inzittenden van het andere toestel
overleefden twee het ongeval. In 1944 mislukte een overval van het verzet op het
station van Geetbets en daarbij kwamen twee verzetslui om het leven. Op 6/9/1944
werd Geetbets door de Amerikanen bevrijd. Einde 44 en begin 45 zorgden vliegende
bommen voor menselijk leed en stoffelijke schade.
Op 30/8/1949 werd de nieuwe kerk van de parochie Hogen ingewijd. Hiermee kwam
een einde aan een jarenlange bouwperiode waarbij in dit afgelegen gehucht
scholen (1943) en een kerk verrezen, onder de niet aflatende ijver van E.H.
Verdée.
Het sportieve hoogtepunt van Geetbets, dat internationaal zeker de meeste
weerklank vond, was de bronzen medaille van wielrenner Tony Gakens op het
wereldkampioenschap op de weg bij de amateurs te Leicester in 1970.
Geetbets haalde op 29/4/1997 eveneens het nationale nieuws toen een F16 zich op
een tiental meter van een huizenrij in de grond boorde en het dorp als bij
wonder aan een ramp ontsnapte.
Tekst door: Guy Leus geschiedkundige kring Limes Gatia.
Grazen (326 ha)
Met zijn oppervlakte van 326 ha en een inwonersaantal van ca 625 eenheden, is
Grazen het kleine broertje in de fusiegemeente Geetbets. In 1217 wordt van
Grazen een eerste maal melding gemaakt (apud Graast) in een oorkonde van
Lodewijk II, graaf van Loon. De naam Grazen (betekent ‘grasland’) is nogal voor
de hand liggend omwille van de talrijke graslanden en bouwlanden die vroeger het
grondgebied bestreken. Om zijn naam kracht bij te zetten werd het driehoekige
dorpsplein, waar zich tot het midden van de vorige eeuw een grote vijver bevond,
omgetoverd tot een immer groene grasvlakte, een unicum in de streek. Merkwaardig
is ook dat omzeggens het ganse grondgebied omgeven is door beken. De Grondbeek
en de Melsterbeek vormen grotendeels de grens met Rummen, de Graesbeek met
Zoutleeuw en Budingen.
Grazen maakte vroeger, samen met Rummen, deel uit van het graafschap Loon. De
graaf van Loon had het oppergezag en bekrachtigde de giften gedaan aan kerken en
aan godsdienstige gemeenschappen zoals het klooster van Oriënten of van
Heylissem. In meerdere oorkonden vinden we hiervan het bewijs. Voor wat de
hogere justitie betreft, hing Grazen af van Montenaken en vervolgens van Duras.
Tot omstreeks 1920 was een derde van het grondgebied eigendom van de graaf van
Duras.
In 1795 werd Grazen, samen met Rummen, door Frankrijk van het graafschap Loon
afgenomen en gevoegd bij het departement van de Dijle en bij het kanton
Zoutleeuw. Tot 1 januari 1971 heeft Grazen het volgehouden als zelfstandige
gemeente, en is sindsdien gefuseerd met Rummen en sedert 1/1/1977 met Geetbets.
Kerkelijk behoorde Grazen tot midden 16de eeuw tot het dekenaat Zoutleeuw
(Rummen tot dekenaat St-Truiden). Bij de oprichting van het aartsbisdom Mechelen
verloor het dekenaat Zoutleeuw meerdere parochies waaronder Grazen, aan het
reeds bestaande bisdom Luik. In 1801 kwam Grazen terug naar Brabant, ditmaal bij
het dekenaat Tienen want het dekenaat Zoutleeuw hield toen op te bestaan maar
werd terug opgericht in 1873.
Omstreeks 1200 werd door de religieuzen van Heylissem in Grazen een kapel
opgericht ter ere van O.L.V. met toestemming van de heer van Montenaken. Tot aan
de Franse Revolutie vormde Grazen een onderdeel van de parochie Wilderen,
waartoe ook Binderveld, Duras, Runkelen en Over-Halmaal behoorden. In 1816 werd
Grazen een zelfstandige parochie met een eigen pastoor. In 1897-1898 werd de
oude kerk aan het kerkhof afgebroken en een nieuwe gebouwd op de huidige plaats.
Het is een neo-gotisch kerkje dat momenteel (medio 2005) het einde van een
dringende en doorgedreven restauratie nadert.
Buiten het prachtige dorpsplein in gras en een mooie gerestaureerde kerk kent
Grazen als trekpleisters voor de buitenwereld o.a. de Sint-Annakapel
(lui-piskapel). Deze kapel werd in 1644 door het klooster van Oriënten
opgericht. De H. Anna wordt er aanroepen tegen bedwateren. De watermolen op de
Melsterbeek werd in 1718 gebouwd in opdracht van het klooster van Oriënten. Op
Hemelvaartdag 1753 werd de molen overvallen door een bende bokkenrijders o.l.v.
Sus van Lewe uit Rummen. De molenaar zou daarbij aan de opgelopen verwondingen
overlijden. De gerestaureerde Vanthienen-winning, later Stassartwinning (naar de
eigenaars) en thans alom bekend als de Waterhoek, dateert in oorsprong uit het
midden van de 18de eeuw. De Waterhoek heeft ervoor gezorgd dat het kleine en
vroeger vrijwel onbekende Grazen nu wel op de landkaart staat.
Tekst door: Louis Ruytinx geschiedkundige kring Limes
Gatia.
Bibliografie:
Guy Leus ‘De Heren van Bets - Kroniek van de rijke historiek van een dorp
‘zonder’ geschiedenis’, 1999, 520 blz.
Louis Ruytinx ‘Dorpswandeling door Grazen’, 1988, 18 blz.
Louis Ruytinx ‘Grazen – Een eeuw trouw aan O.L.Vrouw Bezoeking’, 1998, 200 blz.
‘Limes Gatia’, tijdschrift van de geschiedkundige kring Geetbets, 1992-2005,
1.770 blz.
‘Rummen het Waterloo van het graafschap Loon’, een bundeling van 41 artikels
over Rummen, gepubliceerd naar aanleiding van de 925ste verjaardag van de
gemeente Rummen, 2003, 380 blz.


